HET MUZIEKTHEATER
Het Nationale Ballet
Het Nationale Ballet is in 1961 ontstaan uit een fusie van het Amsterdams Ballet en het Nederlands Ballet. Qua omvang behoort Het Nationale Ballet tot de tien grootste balletgezelschappen ter wereld. Alleen prestigieuze instituten als het Bolshoi Ballet, het Kirov Ballet en het New York City Ballet hebben een groter dansersbestand. In Nederland is Het Nationale Ballet, met ruim 80 dansers, het grootste dansgezelschap.
Per seizoen brengt Het Nationale Ballet ongeveer 120 voorstellingen, verdeeld over gemiddeld acht verschillende producties. Het merendeel van de voorstellingen, rond de 80, vindt plaats in Het Muziektheater. Daarnaast treedt het gezelschap op in zo'n 15 andere theaters in Nederland en in belangrijke danscentra in het buitenland. De meeste voorstellingen worden gegeven met medewerking van Holland Symfonia. Zo nu en dan wordt er opgetreden met het Noordhollands Philharmonisch Orkest of met kleinere muzikale ensembles.
Het Nationale Ballet heeft een gemengd klassiek en modern repertoire. In zijn totaliteit vormt het repertoire een dwarsdoorsnede uit de balletgeschiedenis. De diversiteit van het repertoire van Het Nationale Ballet is dan ook uniek; het gezelschap is om die reden wel vergeleken met een denkbeeldige combinatie van het Rijksmuseum en het Stedelijk Museum in Amsterdam. Jaarlijks staan er één of twee van de grote klassiek-romantische balletten op het programma: 'Giselle', 'The Sleeping Beauty', 'Het Zwanenmeer', 'Romeo en Julia' en 'Assepoester'. Behalve dat deze sprookjesballetten erg geliefd zijn bij het publiek, is de regelmatige uitvoering ervan voor een academisch (klassiek) gezelschap van vitaal belang voor het in stand houden van de veeleisende academische ballettechniek.
Het moderne repertoire omvat een groot aantal werken van George Balanchine (de grote vernieuwer van academische dans) en van de Nederlandse (ex-)huischoreografen Rudi van Dantzig, Hans van Manen en Toer van Schayk. Daarnaast brengt het gezelschap de topwerken uit het internationale balletrepertoire van deze eeuw en biedt het ook ruimte aan choreografieën van jong talent.
De uitvoering van dit zo diverse repertoire vergt een constante inspanning van de betrokkenen. De 80 dansers van Het Nationale Ballet zijn dan ook bijna continu in Het Muziektheater aanwezig. De dansers trainen gemiddeld zes dagen per week in de studio om hun techniek en conditie op peil te houden en om de verschillende balletten te repeteren; eerst in de balletstudio's en vanaf ongeveer een week voor de première ook op het toneel. Dat Het Nationale Ballet bij dansers over de hele wereld populair is, blijkt wel uit de vele verschillende nationaliteiten waaruit het danserstableau is samengesteld. Het tableau is onderverdeeld in zeven rangen; aspiranten, élèves, corps de ballet, coryphees, grand sujets, tweede solisten en eerste solisten.
Het Nationale Ballet werd in 1961 opgericht door Sonia Gaskell, met de Amsterdamse Stadsschouwburg als standplaats. Na Gaskell was Rudi van Dantzig artistiek leider, van 1968 tot 1991. Daarna was Wayne Eagling artistiek directeur van Het Nationale Ballet. Hij is in september 2004 opgevolgd door Ted Brandsen.
De Nederlandse Opera
De Nederlandse Opera heeft met zijn vernieuwende artistieke aanpak een reputatie opgebouwd met een accent op onconventioneel repertoire. Sinds 1988 staat het gezelschap onder artistieke leiding van Pierre Audi; sinds 2005 is Ingo Metzmacher de chefdirigent. Het gezelschap heeft een eigen koor van zo'n zestig zangers en werkt muzikaal vooral samen met het Nederlands Philharmonisch Orkest.
De Nederlandse Opera werd opgericht in 1946, maar heeft sinds die tijd de nodige gedaantewisselingen ondergaan. In eerste instantie betrof het een repertoire-gezelschap dat bovendien een reizend bestaan leidde. In 1964 stapte het over op het stagione-systeem. Dit houdt in dat het artistiek team (dirigent, regisseur, ontwerpers) en de solisten voortaan niet vast aan het gezelschap verbonden zijn, maar telkens specifiek voor één productie uitgenodigd worden. Sinds Het Muziektheater de thuisbasis is van het gezelschap wordt er niet veel meer door het land gereisd. Per seizoen geeft het gezelschap ongeveer 100 voorstellingen in Het Muziektheater. Daarnaast worden kleinschalige producties op locaties in Amsterdam gepresenteerd, al dan niet in coproductie met buitenlandse operahuizen en festivals.
Op het internationale niveau waarop De Nederlandse Opera opereert, vindt planning vaak al zo'n vier à vijf jaar jaar van te voren plaats. Allereerst maakt de artistiek directeur een keuze voor bepaalde opera's, waarmee hij een lijn voor verschillende seizoenen uitzet. Dat kan bijvoorbeeld het brengen van een cyclus van werken van eenzelfde componist (Monteverdi-cyclus), maar ook het publiek laten kennismaken met hedendaagse werken of opera's uit het klassieke repertoire laten ensceneren door vernieuwende regisseurs.
Wanneer de op te voeren opera bekend is, zoekt het gezelschap naar een passend artistiek team. De dirigent, regisseur en artistiek directeur overleggen over de solisten die gevraagd zullen gaan worden. Natuurlijk speelt de 'smaak' van de artistiek directeur een rol, maar zoveel méér factoren zijn van belang. Zo kan de regisseur het libretto op zo'n manier interpreteren dat een op het eerste gezicht voor de hand liggende opvatting kan leiden tot een zeer afwijkend toneelbeeld. Peter Sellars bijvoorbeeld, haalde de symbolische setting van Maeterlincks tekst 'Pelléas et Mélisande', naar het concrete Los Angeles van 1992 met militaire politie en daklozen.
Traditioneel worden de rollen veelal op eenzelfde wijze ingevuld. Toch kunnen regisseur en dirigent er soms voor kiezen om buiten de gebruikelijke opvatting te treden. Voor de rol van Musetta in 'La Bohème' van Puccini schrijft de traditie een coloratuur-achtige sopraan (=een sopraan met een helder en licht timbre) voor naast de doorgaans vocaal dramatisch bezette rol van Mimi. Dirigent Hartmut Haenchen draaide in deze productie, die hij in 1992 met artistiek directeur Pierre Audi maakte, die rollen juist om. Ook de regisseur kan tot afwijkende keuzes komen. De rol van de elf Puck bijvoorbeeld, is over het algemeen een jongensachtige, lichtvoetige figuur. Regisseur Brigitte Fassbaender koos er in haar enscenering (1993) voor deze rol te laten spelen door een zwaarlijvige komediant.
Het repetitieproces, afhankelijk van de lengte van de opera en de wensen van de regisseur, duurt gemiddeld zes weken. Vier daarvan vinden plaats in een grote studio met behulp van enkele noodzakelijke decorstukken en rekwisieten, de laatste twee weken bestaan uit repetities op het toneel. Dichter bij de première worden de technische aspecten steeds belangrijker: het echte decor, de rekwisieten, kostuums, kap en grime, het orkest (in plaats van pianobegeleiding), de technische effecten en tenslotte de belichting.
Wat betreft het spelen van de uiteindelijke voorstellingen-reeks moet bij de planning rekening worden gehouden met de zangers. Een operavoorstelling staat nooit twee dagen na elkaar op het toneel; om een stem lang op niveau te houden, hebben de stemspieren na een voorstelling bij voorkeur twee dagen rust nodig.
Gastprogrammering Het Muziektheater
Samen met de twee huisgezelschappen is Gastprogrammering Het Muziektheater verantwoordelijk voor de programmering van het theater. Ieder van de drie organisaties neemt daarbij een deel voor haar rekening. Gastprogrammering nodigt gezelschappen uit binnen- en buitenland uit hun voorstellingen in Het Muziektheater te presenteren. Van belang bij de keuze van deze gezelschappen is dat zij op muziekdramatisch gebied kunnen bijdragen aan het kwalitatief hoogstaande aanbod van Het Muziektheater. Naast de presentatie van het traditionele repertoire van de laatste 400 jaar, met vernieuwende elementen op gebieden als vormgeving, dramaturgie en uitvoeringspraktijk, is ook een belangrijke plaats ingeruimd voor meer experimentele producties. Het accent bij de programmering ligt vanzelfsprekend op het ballet/dans- en Muziektheater/opera-repertoire.
In de afgelopen jaren heeft Gastprogrammering een grote diversiteit aan gezelschappen gepresenteerd. Te gast waren grote balletgezelschappen als het Bolshoi Ballet, The Royal Ballet, The Tokyo Ballet en Béjart Ballet Lausanne.
Op het gebied van de moderne dans kwamen onder meer de gezelschappen van Martha Graham, Carolyn Carlson, Trisha Brown, Merce Cunningham, Ballett Frankfurt en Anne Teresa de Keersmaeker. Tevens waren de gezelschappen van Bill T. Jones, Elisa Monte en Maguy Marin te gast met werk dat in opdracht van Gastprogrammering Het Muziektheater werd gemaakt. Vast onderdeel van de programmering zijn de voorstellingen van het Nederlands Dans Theater.
Tenslotte vinden er ook voorstellingen plaats in het kader van het Holland Festival en wordt eens in de twee jaar een balletgala gehouden.
Holland Symfonia
In de loop van de 20ste eeuw is de 'muziek van de dans' een steeds breder begrip geworden. Belangrijke componisten als Stravinsky, Satie, Poulenc en Debussy schreven grensverleggende werken speciaal voor de dans. De afgelopen decennia hebben choreografen hun muzikale repertoire nog verder uitgebreid en lijkt bijna alle orkestmuziek in aanmerking te komen als inspiratiebron voor de dans. Bijna tweederde van het repertoire van Holland Symfonia bestaat uit werk van 20ste-eeuwse componisten, waarbij de Nederlandse componisten sterk zijn vertegenwoordigd. Vandaar het motto: 'orkest van de 20ste eeuw'.