TECHNIEK
Net zoals in de meeste theaters is ook in Het Muziektheater een belangrijke rol weggelegd voor de techniek. Omdat deze techniek over verschillende vakgebieden is verdeeld, zijn er ook verschillende technische afdelingen binnen het theater.
De verzamelnaam van al deze afdelingen is TOM, de Technische Organisatie het Muziektheater. Hieronder vallen de kostuumateliers, de schoenmakerij, de hoeden- en maskermakerij, de ververij, de kap- en grimeafdeling, de rekwisietendienst, het decorcentrum en alle technische afdelingen. Het gaat in dit verhaal over de laatste categorie:
- de toneeldienst
- de onderhoudsdienst
- de belichtingsdienst
- de avc-dienst
Omdat veel van de werkzaamheden van deze afdelingen door elkaar lopen, zullen we eerst gaan kijken naar alle technische faciliteiten die het toneel en de zaal bieden. Daarna komen ook de meer specifieke werkzaamheden van de diverse afdelingen aan bod.
Het toneel
Op en rond het toneel zijn er verschillende technische faciliteiten beschikbaar die gebruikt worden tijdens voorstellingen (decorwisselingen, effecten, etc) maar ook bij het opbouwen en afbreken van voorstellingen. Dit opbouwen en afbreken moet zo snel mogelijk gaan omdat alle tijd die je hiervoor nodig hebt ten koste gaat van de repetitie- of voorstellingstijd op het toneel.
Om een goed beeld te krijgen van de technische mogelijkheden van het toneel is het allereerst goed om te weten dat je eigenlijk niet van het toneel kunt spreken. Het geheel van ruimtes en apparatuur in Het Muziektheater dat het toneel genoemd wordt, bestaat namelijk uit allemaal aparte onderdelen:
- het hoofdtoneel met de toneeltoren en de bovenmachinerie
- de zij-, achter-, en montagetonelen
- de ondermachinerie
- de belichtingsinstallaties
- de geluidsinstallaties
Het hoofdtoneel met de toneeltoren
Het hoofdtoneel zelf is eigenlijk niets meer dan een grote (lege) vloer, ongeveer 21 meter breed en 16,5 meter lang, waar je een voorstelling kunt laten plaatsvinden. Wat je als publiek niet meteen ziet is de enorme toren (30,3 meter hoog) die zich boven dit hoofdtoneel bevindt. Een van de belangrijkste installaties in de toneeltoren is de trekkenwand. Nu is de naam trekkenwand een beetje schimmig, maar je kunt deze het beste opvatten als een verzameling van lange stalen buizen die over de hele breedte van het hoofdtoneel hangen (dit noemen we de trekken)en die op- en neer kunnen worden bewogen over een afstand van 24 (m). Het laten zakken en daarna weer ophijsen ging vroeger met de hand (handtrek), maar tegenwoordig worden in Het Muziektheater alle trekken elektrisch bediend, met behulp van een motor en een besturingssysteem.
Op afbeelding hiernaast zie je hoe een handtrek werkt. De trek (T) hangt aan staalkabels (S). Deze staalkabels lopen over een aantal katrollen naar het contragewicht (C). Als we nu het trekkentouw over een afstand A verplaatsen, dan verplaatst de trek over een afstand van 2 A.
Dit komt omdat er aan het contragewicht ook nog katrollen zitten en daardoor wordt de afstand A die het trekkentouw maakt verdeelt over twee touwen. Een gevolg van deze verdeling is dat het contragewicht 2 keer zo zwaar moet zijn als het gewicht dat aan de trek hangt. Nu kon een handtrek maximaal 350 (Kg) tillen, dus het contragewicht gaat dan 700 (Kg) wegen.
Maar zoals gezegd gebruiken we in dit theater geen handtrekken meer. Vanaf 2004 mogen handtrekken namelijk niet meer dan 150 (Kg) draagkracht hebben en in Het Muziektheater heeft men besloten om alle trekken elektromechanisch te maken. Een elektromechanische trek wordt aangedreven door een elektromotor. Deze elektromotor drijft een grote haspel met 8 staalkabels aan en die staalkabels lopen naar de trekken; een contragewicht is dan niet meer nodig. De trekkenwand bestaat nu uit:
| onderdeel | aantal | draagkracht |
|---|---|---|
| nieuwe E(lektrische) trekken | 44 | 500 (Kg) |
| oude E-trekken | 30 | 750 (Kg) |
| punttrekken | 40 | 150 (Kg) |
| lieren | 16 | 2000 (Kg) |
Zoals je ziet hangen er in de toneeltoren ook nog 40 punttrekken. Dit zijn geen stalen buizen, maar 10 lange rails met op iedere rail vier punttrekken. Deze punttrekken zijn eigenlijk staalkabels die op iedere gewenste plek op de rail naar beneden kunnen worden gelaten om er daarna iets aan op te hijsen. Vergelijk het maar met een gordijnrail met 4 gordijnrollers. Op de plek waar de roller zit kun je dingen ophijsen aan een kabel.
Nu zijn er voor die 40 (10 x 4) punttrekken maar twee motoren (masters) beschikbaar, dus je kunt niet iedere punttrek apart bedienen. Er kunnen maximaal 10 punttrekken op 1 master worden aangesloten, dus dan kom je in het uiterste geval op twee groepen van 10 punttrekken die je tegelijkertijd kunt gebruiken.
Om het dan nog iets moeilijker te maken, kun je per rail maar 1 master gebruiken, dus als je 2 punttrekken op één en dezelfde rail wilt gebruiken, moeten die op dezelfde master worden aangesloten.
Als aanvulling op deze punttrekken zijn er een aantal jaren geleden 16 lieren in de toneeltoren ingebouwd. Deze lieren (je zou ze kunnen vergelijken met een kleine hijskraan op een variabele positie) kunnen per stuk 2000 (kg) ophijsen. Deze lieren zitten ieder vast aan een van de 8 draagbalken die boven in de toneeltoren hangen (dwars op de trekken).
In de toneeltoren hangen ook nog 4 grote lichtbruggen waar een groot deel van het theaterlicht in hangt. Net zoals de trekken kunnen ook deze bruggen omhoog en omlaag bewegen in de toneeltoren.
We verlaten nu de toneeltoren en gaan weer even terug naar het toneel. Vanuit de zaal kijk je door een soort 'gat' naar het toneel. Dit noemen we de toneelopening en met deze toneelopening is ook nog het een en ander mogelijk. We kunnen namelijk de grootte van de opening aanpassen. De hoogte is minimaal 90 (cm) en maximaal 9,75 (m) en de breedte kan variëren tussen de 14 en 21 meter. Ook kan de opening door een aantal doeken worden afgesloten. Het bekendste is het felrode voordoek, dat op twee manieren kan worden geopend: Grieks (links) en Wagner (rechts).
Zowel de Griekse als de Wagneropening worden elektrisch bediend, maar bij een stroomstoring kan de Griekse opening ook met de hand. Bij de Wagneropening kan het doek ook een 'vrije val' maken: dan valt het doek, als het helemaal open is, in één keer weer dicht. Als je goed kijkt naar het plaatje van de Wagneropening, dan valt je misschien op dat het doek veel langer moet zijn dan de hoogte van de toneelopening.
Naast het felrode voordoek heeft men nog een paars sierdoek dat alleen Grieks open kan en een zwart geluidsdoek dat recht van boven komt (guillotine- of Italiaanse opening).
Dat geluidsdoek is heel erg dik en moet er voor zorgen dat het publiek niets hoort van de decorwisselingen die achter de schermen plaatsvinden.
Verder is de toneelopening ook nog af te sluiten met een brandscherm.
De zij-, achter-, en montagetonelen
Naast en achter het hoofdtoneel liggen nog drie tonelen (zie afbeelding). Deze tonelen, het achter-, zij- en montagetoneel, zijn gebouwd om decors op te kunnen bouwen en om de decors van meerdere producties tegelijkertijd rond het hoofdtoneel te kunnen laten staan. Omdat boven deze tonelen geen toneeltoren is gebouwd, is het plafond van deze tonelen een stuk lager dan bij het hoofdtoneel, namelijk 11 meter hoog. Ook bij deze tonelen hangen er verplaatsbare takels tegen het plafond: de zogenaamde loopkatten (een theater gebruikt veel dierennamen: een plankje op 4 wielen om decors mee te verrijden heet 'hondje'). Deze loopkatten kunnen 500 (kg) per takel hijsen. Daarnaast zijn er ook nog 17 kleinere elektrische trekken aangebracht boven deze tonelen die allemaal maximaal 300 (kg) kunnen heffen. Deze trekken worden apart bediend van de grote trekken boven het hoofdtoneel.
Alle vier de tonelen kunnen van elkaar worden afgesloten door een geluidswand zodat er op meerdere tonelen tegelijkertijd gewerkt kan worden zonder dat je last van elkaar hebt. Tussen het hoofdtoneel en het achter- en zijtoneel zit een hefdeur (vergelijkbaar met het brandscherm) en tussen het montagetoneel en het zij- en achtertoneel zit een harmonicadeur. Zo bestaat de mogelijkheid dat er op het hoofdtoneel een voorstelling aan de gang is, terwijl op het montagetoneel een decor in elkaar wordt gezet.
Nu hebben we alle tonelen gehad, maar voordat we van de toneelvloer afgaan, moeten we nog even goed naar de vloer van de tonelen zelf kijken. Dit zijn namelijk niet zomaar vaste vloeren, maar in de toneelvloeren zijn allemaal liften ingebouwd. Die liften maken deel uit van wat in het theater de ondermachinerie wordt genoemd.
Ondermachinerie
Hierbij maken we onderscheid tussen:
Zweefwagens
De zweefwagens zijn grote vloeren die met behulp van acht luchtkussens (4 grote en 4 kleine) kunnen worden verplaatst. Deze luchtkussens zijn ongeveer voor te stellen als grote fietsbanden met in het midden (waar bij een fiets de spaken zitten) een kunststoflaag met kleine gaatjes. Als hier lucht in wordt gepompt (dit is perslucht met een druk van 8 bar, ter vergelijking: in een autoband heerst een druk van ongeveer 2 bar), blaast de fietsband zichzelf op en ontsnapt er lucht uit de gaatjes, waardoor de wagen gaat zweven. Dit zweven is overigens nauwelijks te zien. De wagen komt niet meer dan 2 centimeter omhoog (voornamelijk omdat de kussens zichzelf volpompen). De zweefwagen 'drijft' op een heel dun laagje lucht. Als er 5 zweefwagens met elk 8 kussens worden gebruikt, dan wordt er elke minuut ongeveer 25 kubieke meter lucht in de wagens gepompt. In iedere zweefwagen zit overigens een systeem dat het drukverlies in een kussen (bijv. als een kussen over een kier in de vloer glijdt) opvangt door in de andere kussens de druk te verhogen.
Eén zweefwagen heeft een afmeting van 2,70 (m) bij 16,20 (m) en weegt 6000 kilo. Het hefvermogen van zo'n wagen is ook 7000 kilo. Meestal worden er 5 van zulke wagens aan elkaar gekoppeld en samen hebben ze dan een hefvermogen van 35 ton.
Om de zweefwagens te verplaatsen maakt men gebruik van de zogeheten duwwagens. Deze duwwagens zijn grote vierkante blokken van 1500 kilo, die bestaan uit een elektromotor met accu's. Het Muziektheater heeft in totaal 15 zweefwagens. Deze zijn op verschillende plekken in het toneelgebied opgeslagen.
In de vloer van het montagetoneel is een lift (A) ingebouwd van 13,5 (m) bij 16,2 (m). Dit is precies dezelfde oppervlakte als die van 5 gekoppelde zweefwagens. Deze lift heeft 2 niveau's: 0 (op gelijke hoogte met de rest van de toneelvloer) en -20 (cm). In het laatste geval ligt de vloer van de zweefwagen gelijk met de toneelvloer. Hierdoor kun je op ‘0-niveau’ bouwen en dat is internationaal gezien behoorlijk uniek. Ook op het achtertoneel is een lift (B) gemaakt voor de zweefwagens. Maar hier past maar 1 zweefwagen op. Gelukkig kan deze lift verder naar beneden en zo kunnen er 10 zweefwagens boven op elkaar worden gezet. Deze lift kan dus met stapjes van 20 (cm), 2 meter naar beneden.
Met behulp van deze zweefwagens kan de toneeldienst snel decors wisselen. Ze zetten op het montagetoneel een decor op de zweefwagens. Met behulp van de duwwagens wordt het hele decor in één keer naar het hoofdtoneel gezweefd en daar kan het weer neergezet worden.
Het is dan bijna te verwachten dat ook op het hoofdtoneel liften aanwezig zijn om het hoogteverschil tussen zweefvloer en toneelvloer op te kunnen heffen. Dit is een beetje en wel en ook beetje niet het geval. Er zijn wel liften, maar we noemen ze anders: de heftonelen.
De heftonelen
Deze heftonelen, 5 in totaal, hebben dezelfde afmetingen als de zweefwagens: 2,70 (m) bij 16, 20 (m). Iedere zweefwagen kan dus precies op een heftoneel worden gezet. Men kan dan de heftonelen 20 centimeter laten zakken om het hoogteverschil tussen de zweefwagens en de toneelvloer weg te werken. Maar er is nog veel meer mogelijk met deze heftonelen. Ieder heftoneel kan ongeveer 3 meter naar boven of 3 meter naar beneden.
In de heftonelen zijn kleinere vloerluiken (A) gemaakt (zie afbeelding). Om deze luiken ook te kunnen gebruiken als er zweefwagens worden gebruikt, zijn er in vijf zweefwagens gaten gemaakt die overeenkomen met de luiken in de hefpodia.
Niet alleen bij gebruik van zweefwagens worden de hefpodia gebruikt. Ook bij iedere balletvoorstelling zijn ze van wezenlijk belang. Het ballet kan namelijk niet dansen op de toneelvloer omdat die te hard is en niet meeveert.
Er wordt daarom een speciale balletvloer op de hefpodia gelegd die wél mee kan veren met de bewegingen van de dansers.
Drie meter onder ieder heftoneel zit nog een vloer: het ondertoneel. Als dus alle heftonelen drie meter naar boven worden geduwd, dan ligt het hele ondertoneel gelijk met de vloer van het hoofdtoneel. Als de heftonelen helemaal zakken, dan komen de twee vloeren bijna op elkaar te liggen. De liften werken namelijk telescopisch (zie afbeelding). Ieder heftoneel wordt aangedreven door een eigen elektromotor, zodat elke vloer ook apart te bewegen is. De heftonelen kunnen elektronisch (via de besturings-software) gekoppeld worden om ervoor te zorgen dat ze precies synchroon omhoog of omlaag gaan. De positie (zeg maar de hoogte) van de tonelen wordt bepaald door een apparaatje dat is aangesloten op de aandrijfas en het aantal omwentelingen telt. Zodoende is op ieder moment bekend waar welk heftoneel zich bevindt. Eén heftoneel weegt overigens 13000 Kg.
De draaischijven
Om de mogelijkheden op het hoofdtoneel nog uitgebreider te maken, heeft het Muziektheater draaischijven die ingebouwd kunnen worden op het hoofdtoneel. Die draaischijven worden meestal opgebouwd op de zweefwagens en dan op de hefpodia gezet, zodat er geen hoogteverschil is tussen draaischijf en de rest van het toneel. Hierdoor ziet het publiek alleen maar dat de vloer van het toneel rond kan draaien en op deze draaiende vloer kunnen dan weer decors worden gebouwd. Het Muziektheater heeft twee draaischijven zodat je twee draaiende vloerdelen tegen elkaar in kunt laten lopen. Dit werd gebruikt in de opera Mozes en Aäron.
De orkest- en arenapodia
De orkestbak is een Wagnerbak (onder het toneel) gecombineerd met een Italiaanse bak (voor het toneel). De orkestbak is inegricht voor een orkest van 120 personen. Het gedeelte vóór het toneel bestaat uit drie liften die tot 3,6 meter onder de toneelrand kunnen zakken. Ze kunnen echter ook op dezelfde hoogte als de zaal of als het toneel worden gebracht, waarmee je de toneelruimte aanmerkelijk uitbreidt.
Nog voor de orkestbak (onder de eerste 3 rijen stoelen in de zaal) zit het arenapodium. Ook dit is een lift die op gelijke hoogte met het toneel gebracht kan worden. De stoelen op dit podium staan op verrijdbare bakken, zodat ze snel weggereden kunnen worden. Samen met de orkestbaklift kan het arenapodium een extra grote toneelruimte creëren (zie hieronder).
Overige liften
Van de overige liften hebben we de liften voor de zweefwagens op het montage- en het achtertoneel al genoemd, maar op het hoofdtoneel hebben we nog een lift die nog niet aan de orde is gekomen: de prospektlift. Deze lift wordt gebruikt om de grote achterdoeken in op te slaan. Het is een soort magazijnrek van 24 meter breed met 6 planken dat op een lift is gezet. Als de toneeldienst een bepaald achterdoek nodig heeft, dan kunnen ze de prospektlift omhoog halen tot de juiste plank en het achterdoek zo het toneel op rollen.
Verder heeft Het Muziektheater de beschikking over een aantal losse schaarliften, dat tijdens voorstellingen gebruikt kan worden onder de vloerluiken. Deze liften werken hydraulisch (op oliedruk).
De Toneeldienst
De naam toneeldienst is nu al een paar keer gevallen. Dit is de afdeling die werkzaam is op het toneel en zij gebruikt de meeste van de hierboven beschreven installaties. Bij de toneeldienst werken ongeveer 55 mensen. Zij zorgen voor het opbouwen en afbreken van de decors en ook voor de werkzaamheden achter de schermen tijdens de voorstellingen zelf.
De Onderhoudsdienst
Het onderhoud van alle apparatuur valt onder de verantwoordelijkheid van de 20-koppige onderhoudsdienst. Zij zorgen voor het onderhoud van de toneeltechnische installaties en daarnaast voor het gebruiksonderhoud van de overige apparatuur in het hele Muziektheater.
Dit lijkt eenvoudiger dan het is. Ieder onderdeel is opgenomen in een preventief onderhoudsschema, waardoor er elke maand, elk kwartaal en ieder jaar een complete check-list moet worden nagelopen om te kijken of alles nog voldoet aan de eisen die gesteld zijn.
Een voorbeeld is het onderhoud van het voordoek. Elke maand worden de schakelkasten gecontroleerd en wordt gekeken of het mechanisme nog werkt. Ieder kwartaal worden de aandrijving, de kabels en het overige loopwerk nagekeken. Tenslotte wordt ieder jaar het hele doek gereinigd en worden de ophanging en de lagers gecontroleerd.
De onderhoudsdienst is ook verantwoordelijk voor het elektriciteitsnet binnen het theater. Hierbij moeten we wel een onderscheid maken tussen het hoogspanningsnet en het laagspanningsnet. De combinatie Stadhuis-Muziektheater krijgt 2 keer 10 (kV) = 20.000 volt binnen. Dit wordt door een transformator omlaag gebracht tot 380 (V).
Om ervoor te zorgen dat dit systeem niet overbelast wordt, zit er bij die transformator een torsiemat. Dit is een soort grote hoofdschakelaar (denk maar aan de aardlekschakelaar bij je thuis) die 'afslaat' op het moment dat er teveel stroom verbruikt wordt. De onderhoudsdienst heeft een laagspanningsdeskundige in dienst die het onderhoud mag verzorgen voor het hele net binnen het theater tot aan die transformator.
In bepaalde gevallen werkt de onderhoudsdienst ook mee aan de decorbouw, bijvoorbeeld als er hydrauliek gebruikt wordt.
De Belichtingsdienst
De belichtingsdienst is, en de naam zegt het al, de dienst die ervoor zorgt dat iedere productie in het Muziektheater van toneellicht wordt voorzien. Dit begint al met het uitwerken van het lichtplan (zie bijlage I) aan de hand van de ideeën van de lichtontwerper. Een lichtplan is een soort plattegrond van het theater waarop precies staat aangegeven waar een lamp moeten komen te hangen en welke kleurenfilter of welke gobo (dit is een metalen plaatje waarin een afbeelding is uitgesneden) bij die lamp moet komen. Aan de hand van dit lichtplan zorgt de belichtingsdienst dat elke voorstelling de juiste belichting krijgt.
Omdat het inhangen en richten van al deze lampen veel tijd kost, zijn er extra veel lampen in het Muziektheater aanwezig, zodat niet voor iedere voorstelling alle lampen anders opgehangen, gekleurd (dit is het inzetten van filters) en gericht hoeven worden.
Meestal hangen er dus lampen van verschillende producties in de lichtbruggen. Desondanks moet de belichtingsdienst, als de toneeldienst bezig is met het opbouwen van de decors, nog een heleboel werk verrichten omdat er vaak in de decors lampen zijn verwerkt of omdat er losse stellages met lampen aan de zijkanten van het toneel moeten komen te staan.
Om de hoeveelheid werk toch tot een minimum te beperken is de lichtinstallatie in het Muziektheater gebaseerd op een standaardinstelling, de zogeheten rep(ertoire)-instelling. In deze rep-instelling is het hoofdtoneel verdeeld in 20 vierkante vlakken. Over deze 20 vlakken zijn 250 schijnwerpers verdeeld, zodat voor elk vlak bovenlicht, frontlicht, tegenlicht en zijlicht (links en rechts) beschikbaar zijn. Het Nationale Ballet werkt vrijwel uitsluitend met deze standaardinstelling, terwijl De Nederlandse Opera nooit met deze instelling werkt. Voor operaproducties wordt het licht apart ingehangen.
Zoals zojuist al gezegd is, hangen veel lampen in lichtbruggen. Deze zijn verdeeld over een aantal vaste loopbruggen die aan het plafond van de zaal hangen en vier beweegbare bruggen die boven het toneel hangen. Om de lampen in de zaal te verhangen en te stellen kunnen de belichters gewoon over de bruggen lopen maar boven het toneel kan dat niet. Vandaar dat deze bruggen beweegbaar zijn en naar beneden getakeld kunnen worden. Zoals eerder al is verteld zullen deze grote lichtbruggen boven het toneel worden vervangen door kleinere lichtbruggen. Het idee is dat zo'n nieuwe lichtbrug bestaat uit een soort metalen raamwerk waar lampen aan opgehangen kunnen worden. Dit raamwerk kan dan in 5 trekken gehangen worden. Op die manier kun je dus op elke gewenste plaats in de toneeltoren een lichtbrug hangen, terwijl men nu vast zit aan die 4 grote, zware lichtbruggen.
Lichtcomputer
Vanwege de grote hoeveelheid lampen wordt de belichting niet met de hand bediend. Alle lampen moeten worden aangesloten op de lichtcomputer. Deze lichtcomputer (meestal aangeduid met de term lichttafel of nog korter tafel) is het hart van de hele belichtingsinstallatie. Hij staat in de linkercabine (vanuit de zaal gezien) van het eerste balkon. Om de werking van de huidige lichtcomputer duidelijk te maken, kijken we eerst even naar zijn voorganger.
De oude belichtingsinstallatie bestond uit 800 kringen. Zo'n kring is vergelijkbaar met een dimmer thuis. Als je de dimmer opendraait gaat de lamp feller branden. Zo werkte de lichtcomputer ook. Op de tafel zaten schuifjes waarmee je de intensiteit van de lamp kon variëren. Het grote verschil met een dimmer thuis was dat de dimmers niet in de tafel zaten, maar in een aparte ruimte. Deze dimmerruimte zit op de 3e verdieping van de toneeltoren. Voor iedere kring ging er een draadje naar een dimmer en van daaruit ging er een draad door naar een lamp. En alsof dat nog niet genoeg was, ging er vanuit iedere dimmer ook weer een draadje terug naar de lichttafel om een waarschuwing te geven als er iets mis was. Je kunt je misschien wel voorstellen dat dit een enorme wirwar van draden is geweest. Omdat de installatie uit 800 kringen (zie kader) bestond, kon je ook maximaal 800 lampen tegelijkertijd aansluiten op de installatie . Dit zijn ontzettend veel lampen voor één theater, maar hierdoor kan de belichtingsdienst wel de lampen van meerdere producties tegelijkertijd inhangen en aansluiten op de lichtcomputer.
Lampen
Er zijn allerlei verschillende theaterlampen, maar de belangrijkste soorten zijn:
- horizonbakken:
- grote schijnwerpers voor het belichten van grote oppervlakken (doeken, gaasdoeken of folies).
- par:
- een par is feitelijk niet veel meer dan een krachtige lamp met een behuizing eromheen. Je kunt er verder vrijwel niets aan instellen, maar hij geeft een enorme bulk licht.
- PC schijnwerper:
- PC staat voor plano-convex en dat slaat op de soort lens die in deze schijnwerper gebruikt wordt. De afstand tussen lamp en lens is te variëren en hierdoor kun je ook de grootte van de lichtbundel variëren.
- fresnelschijnwerper:
- de lichtbundel van een PC heeft een erg scherpe lichtafbeelding (je ziet duidelijk een rand waar het licht ophoudt) en daarom bedacht men de fresnel-lens. Deze lens heeft allemaal ribbels en hierdoor wordt de lichtbundel aan de buitenkant onscherp en verdwijnt ook de rand die je bij een PC-lens wel ziet.
- profielschijnwerper:
- dit is een schijnwerper waar snijders inzitten. Die snijders zijn metalen plaatjes waarmee je de lichtbundel kunt afsnijden. Hierdoor kun je de lichtbundel bijvoorbeeld vierkant maken in plaats van rond. Ook bij de PC- en de fresnelschijnwerper kun je zo'n effect krijgen, maar dan gebruik je barndoors. Dit zijn vier scharnierende metalen platen die aan de buitenkant van de lamp vastgezet kunnen worden.
In de loop van de jaren kwamen er nieuwe soorten lampen op de markt, waaronder het zogenaamde 'bewegend licht'. Deze lampen hebben veel meer mogelijkheden dan alleen maar aan/uit. In Het Muziektheater gebruikt men twee soorten bewegend licht: de yokespots en de mirrorspots.
Bij een yokespot hangt de schijnwerper in een beugel en die beugel kan op afstand worden bediend zodat de schijnwerper beweegt. Het Muziektheater gebruikt voor de schijnwerpers die in de beugel hangen ARRI fresnel 4kW en 6kW HMI-schijnwerpers. Dit zijn grote fresnel schijnwerpers die niet werken met een lamp met een gloeidraad (zoals bij een normale lamp), maar met een gasontladingslamp. Het gas in die lamp wordt tot gloeien gebracht door een spanningsverschil aan te brengen in de lamp. Net zoals je bij een gaspit eerst een lucifer moet houden voordat het gas gaat branden, moet ook een HMI een soort duwtje krijgen voordat hij begint te schijnen. Dit duwtje wordt gegeven door de elektronische ballast. Deze zorgt voor een enorme stroomstoot waardoor het gas in de HMI begint te gloeien. Een HMI heeft wel even de tijd nodig voordat hij op volle sterkte gloeit. Omdat je daar tijdens een voorstelling niet op kan gaan zitten wachten, wordt die lamp vaak voor de voorstelling al aangezet. Om het licht van de lamp tegen te houden, is iedere HMI voorzien van 'shutters'. Dit is een soort jaloezie die dicht blijft totdat de schijnwerper nodig is en dan kan vanuit de lichtcomputer de jaloezie opengezet worden. Het mooie van een HMI is dat deze lamp licht geeft dat in de buurt komt van natuurlijk licht, het is heel helder licht.
Daarnaast heeft Het Muziektheater ook nog een groot aantal mirrorspots van het type MARTIN PAL 1200. Bij deze schijnwerper beweegt de lamp zelf niet, maar kan de lichtbundel bewegen door middel van een spiegeltje. Daarnaast heeft deze lamp nog een groot aantal functies (alles bij elkaar worden er zo'n 26 parameters aangestuurd) waaronder kleurmenging, bewegende gobo's, zoom (groter of kleiner maken van de lichtbundel) en framing (het vierkant of rond maken van de lichtbundel, vergelijkbaar met de snijders van een profielschijnwerper).
De nieuwe lichtcomputer
Het grote voordeel van dit bewegend licht is het feit dat je nu een lamp vaak kunt laten hangen op één plek en, doordat hij op afstand bestuurbaar is, voor meer dan een productie gebruiken. Het nadeel is, of beter gezegd: was, dat door alle extra functies van het bewegend licht de capaciteit van de lichtcomputer, met z'n 800 kringen, te laag was. Toen heeft men de oude lichtcomputer vervangen voor een nieuwe (een BEO Ovation 4D gecombineerd met een Micro 4D) en meteen alle losse kabeltjes van en naar de dimmers weggehaald. In het nieuwe systeem maakt de nieuwe lichtcomputer deel uit van een groot computernetwerk. Dit computernetwerk werkt niet meer met losse kabeltjes maar met één glasvezelkabel. Deze glasvezelkabel is ook verbonden met de dimmers en dus zijn alle losse kabeltjes overbodig geworden. Niet alleen in de dimmerruimte, maar ook op diverse andere plekken in het theater heeft men een hub / patchkast aangelegd. Dit is een soort schakelkast die nodig is om apparatuur aan te sluiten op de glasvezelkabel en dus op de lichtcomputer. Onder die apparatuur valt ook het bewegend licht. Dus met de nieuwe lichtcomputer kun je nog steeds de 800 dimmers en daarmee 800 lampen bedienen, maar los daarvan kun je nu ook het bewegend licht gebruiken. Omdat bewegend licht meer parameters heeft, moet 1 lamp meerdere commando’s krijgen (bijvoorbeeld voor de kleur en de grootte van de lichtbundel). Naast die 800 lampen kan de lichtcomputer derhalve ongeveer 2200 parameters aansturen. Als extra heeft Het Muziektheater nu ook een aantal zwerfdimmers waar weer (ongeveer 150) losse lampen op aangesloten kunnen worden.
Om al deze schijnwerpers en lampen tijdens de voorstelling te kunnen bedienen, worden alle lichtstanden vooraf geprogrammeerd. Als alle standen voor een voorstelling zijn geprogrammeerd, dan wordt zo'n bestand op de server gezet. De server is de hoofdcomputer van het netwerk en van daaruit kan iedereen die op het netwerk 'zit' de programma's op de server gebruiken.
Je hoeft als belichter nu niet meer persé in de lichtcabine in de zaal te zitten om aan de lichtstanden te werken. Je kunt ook vanachter je bureau het goede programma van de server halen en dan de lichtstanden bewerken. Dit noemen ze 'off-line editing'.
Naast al deze taken en mogelijkheden zorgt de belichtingsdienst (met ongeveer 35 werknemers) ook voor eventuele dia - of filmprojecties tijdens de voorstellingen.Hiervoor zijn verschillende soorten en maten projectoren beschikbaar (waaronder nog een ouderwets degelijke bioscoop-projector).
De AVC-dienst
In de zaal en op het toneel zijn diverse geluidsinstallaties in gebruik.
Galm
Zo wordt het elektro-akoestische LARES-systeem gebruikt om galm toe te voegen aan de zaal. De reden voor het toevoegen van galm ligt in het feit dat de akoestiek van de zaal niet optimaal is (zie kader).
Voor de galmtoevoeging gebruikt men 3 ringen van 40 luidsprekers (de zogenaamde ambio-ringen) die in de achterwand van de zaal zijn ingebouwd en een 12-tal luidsprekers in het plafond van de zaal. Die galm kun je toevoegen door het geluid van orkest en toneel op te vangen (dit gebeurt door twee microfoontjes die op 11 meter boven de orkestbak hangen: door deze hoogte wordt vrijwel alleen het orkestgeluid opgevangen, niet de zang) en dan door een geluidscomputer te laten bewerken. Die geluidscomputer houdt het geluid een fractie van een seconde 'vast' en stuurt het dan door naar de luidsprekers. Deze luidsprekers geven heel zacht het tegengehouden geluid weer en hierdoor krijg je het idee dat het geluid een langere galm heeft.
Geluid op het toneel
Voor geluidseffecten op het toneel is er het toneeleffectsysteem. Dit zijn 2 torens met luidsprekers op wielen die op elke gewenste plek kunnen worden neergezet. Als er in een opera een groot kerkorgel nodig is, dan sluit men een synthesizer aan op zo'n luidsprekertoren en dan krijg je inderdaad het geluid (en het volume) van een kerkorgel. Als aanvulling op dit systeem hangt in de zaal het plafondeffectsysteem.
Om versterking naar het toneel mogelijk te maken (onder andere omdat de zangers het orkest goed moeten kunnen horen) hangt er een aantal luidsprekers in de manteau (dit is de belichtingstoren die links en rechts aan de binnenkant van de toneelopening zit) en in de portaalbrug (dit is een loopbrug die boven de toneelopening hangt). Vroeger werd bij ieder decor een aantal losse luidsprekers neergezet, maar nu hebben alle luidsprekers een vaste opstelling waardoor er een geluidsprofiel ontstaat dat onafhankelijk is van het decor dat op het toneel staat.
Zaalversterking
Ook in de zaal is versterking van het geluid mogelijk. In de zomer van '99 is een groot deel van de geluidsinstallatie aangepast en het meest in het oog springend is de nieuwe geluidsinstallatie in de eerste zaalbrug (dit is de loopbrug die je vanuit de zaal net boven het toneel ziet hangen).
Om maar met die nieuwe brug te beginnen. Op deze brug hangen nu drie kolommen linear-array's (dit is een bepaald soort luidspreker). Deze luidsprekers zijn in feite al voldoende om de hele zaal met geluid te vullen, maar het geluid komt dan alleen van boven. Om dit op te lossen zijn er in de muur naast de toneelopening 'kolommen' met luidsprekers geplaatst die het geluid 'naar beneden trekken'. Om het geluid daarna nog meer vanuit het midden te laten komen, zijn er in de toneelrand zes kleinere luidsprekers geplaatst. Deze kleinere luidsprekers kunnen ook gebruikt worden als monitorluidspreker voor het orkest. Als bijvoorbeeld de hoorns aan de ene kant van de orkestbak geen fluiten kunnen horen, dan wordt er bij de fluiten een microfoon neergezet en dit geluid kan dan weer door een van de kleine luidsprekers worden weergegeven bij de hoorns.
Nu wordt de hele zaal gevuld met geluid. Maar omdat de balkons enorm ver de zaal insteken, hebben de mensen helemaal achter in de zaal niet hetzelfde geluid als de mensen in het midden van de zaal. Om ervoor te zorgen dat ook de mensen achterin de zaal nog een goede geluidskwaliteit krijgen is er aan de rand van het eerste balkon nog een aantal kleine luidsprekers geplaatst.
Al deze luidsprekers in de zaal zijn aangesloten op een van 41 versterkers (merk: Apogee). Deze versterkers hebben ieder een vermogen van 900 (W). Ter vergelijking: een forse stereotoren heeft één versterker van 180 (W). De besturing van deze versterkers gaat digitaal met behulp van een Level Control System (LCS). Dit besturingssysteem is voorzien van een 24x24 matrix. Hiermee kun je iedere ingang koppelen aan een willekeurige uitgang. Simpel gezegd: als je 24 microfoons hebt en 24 groepen van versterkers, dan kun je met het LCS iedere microfoon op een willekeurige groep versterkers aansluiten zonder dat je kabels anders moet gaan aansluiten. Met behulp van dit systeem kan men ‘bewegende’ geluidseffecten mogelijk maken.
Verder gaat de besturing van het systeem met behulp van een digitale mixer (een Yamaha O2R). Met een mixer kun je per kanaal bepalen hoe hard het geluid moet worden weergegeven. Als een zangeres heel zacht zingt, terwijl de zanger juist heel hard zingt, dan kun je er met die mixer voor zorgen dat ze in de zaal ongeveer even luid klinken. Hierbij moet je je wel bedenken dat in een opera meestal onversterkt gezongen wordt. Dat betekent dat de zangers geen eigen microfoontje hebben en dat is wel nodig als je die mixer wil gebruiken op de manier zoals hierboven staat beschreven. Zoals je ziet is alles digitaal en mede daardoor zijn alle instellingen van het geluidssysteem op te slaan en dus ook reproduceerbaar. Daarnaast is een groot aantal functies op afstand te bedienen.